Blog en lectuur

Retour à Lemberg in stripversie

25 juni 2024

Philippe Sands, Jean-Christophe Camus, Christophe Picaud (2024). Retour à Lemberg. Editions Delcourt, Parijs.

Philippe Sands (2016). East West Street: On the Origins ofgenocide and crimes against humanity. Weidenfeld & Nicolson, London.

Eén van de beste non-fictie boeken die ik de voorbije jaren las, is zonder twijfel Philip Sands’ East West Street (2016). Sands, een specialist internationaal recht en hoofd van het Centre on International Courts and Tribunals van University College London reconstrueert in het boek zijn familiegeschiedenis langs moeders kant. Die Joodse familietak voert hem terug naar Centraal-Europa, meer specifiek naar de steden Zhovkva en Lviv. Maar Sands doet veel meer. Tegen de achtergrond van zijn familieverhaal brengt hij tegelijk de geschiedenis en de inzet voor het voetlicht van twee internationale rechtsbegrippen die vandaag in het publieke discours gemeengoed zijn geworden: m.n. misdaden tegen de menselijkheid en genocide.

Inhoudelijk is dat allesbehalve lichte materie. Vandaar het goede nieuws dat er met Retour à Lemberg een prachtige stripversie van East West Street is verschenen.  Het beeldverhaal is van de hand van Jean-Christophe Camus en Chistophe Picaud en slaagt er wonderwel in om zowel de juridische inhoud als de familieverhalen op een toegankelijke en meeslepende manier in beeld te brengen.

Lemberg

Alle verhalen in Sands boek hebben als vertrekpunt dezelfde plek: Lemberg of het huidige Lviv. Lviv ligt tegenwoordig in het westen van Oekraïne en staat sinds de invasie van Rusland in Oekraïne (februari 2022) opnieuw in de belangstelling. Sands’ verhaal dateert evenwel van voor dit jammerlijk scharniermoment en legt de klemtoon op de turbulente geschiedenis van de stad tussen grofweg 1890 en 1950. Lviv stond in die periode op de landkaarten achtereenvolgens bekend onder de plaatsnamen Lemberg (Oostenrijks-Hongaars bewind), Lwów (Pools bewind), Lvov (Russisch bewind), Lemberg (Duits bewind) en Lviv (Oekraïne).

Hersch Lauterpacht en Raphaël Lemkin

Tijdens het Oostenrijks-Hongaarse bewind werd Lemberg de intellectuele wijkplaats van Galicië. De stad had een bekende universiteit met een sterke rechtsfaculteit die ook na de Eerste Wereldoorlog, toen Lemberg onderdeel werd van Polen en hernoemd werd tot Lwów, haar reputatie behield. Lemberg lag tevens in het centrum van de Joodse diaspora van Centraal-Europa, vlakbij de “zone de résidence russe”, waar aan de vooravond van de  20ste eeuw de meerderheid van de Joodse inwoners van het tsaristische Rusland waren samengebracht. De stad vervulde in die zin een centrumfunctie en de universiteit trok veel talentvolle Joodse studenten aan. Twee van die studenten waren Hersch Lauterpacht en Raphaël Lemkin. Lauterpacht is de vader van het bekende rechtsbeginsel van misdaden tegen de menselijkheid; Lemkin is de bedenker van het vandaag vaak gehanteerde genocide.

Interessant is hoe beide juristen vanuit eenzelfde context tot twee fundamenteel van elkaar verschillende juridische beginselen kwamen. De context is welbekend. De levensomstandigheden en de carrièrekansen van de Joodse bevolking waren in Centraal-Europa allesbehalve benijdenswaardig. Voor de Eerste Wereldoorlog waren ze vaak het slachtoffer van pogroms. En ook na de Eerste Wereldoorlog werden ze het slachtoffer van vooroordelen en Jodenhaat. Een deel van de oplossing tegen dergelijke discriminaties van etnische en religieuze aard zagen Lauterpacht en Lemkin in de ontwikkeling en bekrachtiging van internationale rechtsbeginselen.

Lauterpacht kwam uiteindelijk tot de notie misdaden tegen de menselijkheid. De basis van dit beginsel is het individu. Krachtens zijn menszijn is hij als rechtspersoon drager is van rechten. Het is de meest solide en zekere rechtsgrond om discriminatie tegen te gaan zelfs wanneer die uit staatsgeweld bestaat die individuen ontmenselijkt omwille van hun gepercipieerde lidmaatschap van een (etnische, seksuele, religieuze, …) groep.

Vanuit een gelijkaardige context koos Lemkin voor een andere weg. Hij nam niet het individu als begunstigde van rechten als basis, maar de groep. Die idee zit vervat in zijn begrip ‘genocide’. Onder genocide, zo stelt Lemkin, vallen daden die gericht zijn tegen individuen, maar niet in hun hoedanigheid van individu, wel omdat ze behoren tot een bepaalde groep. Om dergelijke daden te verhinderen is het van belang groepen te beschermen tegen een al te agressieve staat.

Adder onder het gras

Vandaag is genocide als begrip goed ingeburgerd en krijgt het door de koppeling aan allerhande adjectieven ook nieuwe betekenissen (vb. culturele genocide). Dat is geen goede zaak. Door genocide niet zorgzaam te gebruiken, verliest het niet alleen zijn juridische oorsprong en betekenis. Ook de scepsis die al bij de lancering van het begrip werd geopperd, krijgt nog onvoldoende aandacht en gehoor. Rechtsgeleerden hadden bijvoorbeeld heel snel kritiek op de notie van genocide (bv. Leopold Kohr, zie Retour à Lemberg, 170). Door van de groep de voornaamste rechtsdrager te maken, zo stelden zij,  bevestigt Lemkin niet alleen het juridische bestaan van die groepen. Hij hanteert ook een (biologische) logica die zowel kan leiden tot bv. antigermanisme als tot antisemitisme. De juridische bevestiging van een slachtoffergroep, bevestigt m.a.w. ook impliciet een groep van daders. Bovendien maakt de focus op de verantwoordelijkheid van een groep, eerder dan op individuen, van genocide een moeilijk te hanteren begrip in de rechtbank. Ook binnen een groepsdynamiek worden de misdaden gepleegd door individuele daders en moet de individuele verantwoordelijkheid kunnen worden bepaald.

Hersch Lauterpacht onderschreef deze kritiek en bleef uiterst sceptisch ten aanzien van het begrip genocide. Nochtans had hij persoonlijk alle reden om de betekenis en de intentie van het beginsel te verdedigen: zo goed als zijn hele familie vond in de vernietigingskampen de dood. Maar ter wille van een stevige rechtsbasis kon hij niet anders dan hierin pragmatisch zijn.

Neurenberg

Uiteindelijk speelden beide rechtsbeginselen een belangrijke rol in de processen van Neurenberg   (20 november 1945 – 1 oktober 1946). Ook dat aspect brengt de strip uitermate interessant in beeld. Ten aanzien van de beklaagden, waaronder Hans Frank, de gouverneur-generaal van het Pools Generaal-Gouvernement tijdens het Nazibewind, Herman Göring en Rudolf Hess, … zien we in de pleidooien de graduele introductie van het begrip genocide. Uiteindelijk wordt het gebruikt door alle aanklagers, behalve de Amerikaanse.

Parallel wordt in de strip ook de verwerking van de kinderen van de oorlogsmisdadigers in beeld gebracht. Sands volgt daarvoor de zoon van respectievelijk Hans Frank en Otto von Wächter. De eerste assumeert ten volle de individuele verantwoordelijkheid van zijn vader. De laatste blijft leven in ontkenning. Dat laatste verhaal zal Sands verder ontwikkelen in zijn volgende boek The Ratline. Hopelijk wordt dit verhaal ook spoedig in beeld gebracht. Maar voorlopig is het toch eerst hopen op een moedige Nederlandstalige uitgever die van Retour à Lemberg een Nederlandse versie op de markt brengt.

Een uiterst boeiende cultuuranalyse

15 juni 2024

Olivier Roy (2022). L’aplatissement du monde. La crise de la culture et l’empire des normes. Parijs, Seuil.

Olivier Roy fileert in zijn laatste essay op een heldere manier onze hedendaagse Westerse cultuur. Roy, vandaag verbonden aan EUI (European University Institute, Firenze) kennen we vooral van zijn studies over de (politieke) Islam. In L’aplatissement du monde is het vooral de filosoof Roy die aan het woord is.

De titel van het boek is qua beeldspraak raak gekozen. Bij een woord als “aplatissement” kan iedereen zich wel iets voorstellen. De metafoor suggereert vervlakking. De wereld verliest aan reliëf, aan betekenisvol onderscheid en diepgang. Die evolutie is meteen ook de rode draad in het essay van Roy en dat illustreert hij aan de hand van tal van voorbeelden. Volgens hem zijn we getuige van een proces van deculturatie, van het verdwijnen van cultuur. Dit op twee fundamentele manieren: antropologisch en kwalitatief. Met de antropologische betekenis van cultuur verwijst Roy naar het betekenissysteem dat voorafgaat aan het individu: de habitus. De habitus, zo stelt Roy, is wat maakt dat mensen zich thuis voelen in de wereld waarin ze zich bewegen. Cultuur is hierbij analoog aan taal: je wordt er in geboren of je hebt ze niet zelf ontworpen (“la langue précède le grammaire). Dat betekenissysteem maakt dat je de samenleving, de groepen en de individuen waaruit die bestaan kan lezen en begrijpen. Daarnaast is onze cultuur ook de notie van kwaliteit verloren. Roy verwijst hierbij vaak naar de hoge cultuur (kunst, poëzie, literatuur, …). Die is inwisselbaar geworden met om het even wat. Kwaliteitscriteria die eerder mensen wegwijs maakten in de rangorde van cultuur, hebben aan kracht verloren. Het verschil tussen Bach en Taylor Swift is verdwenen, meer zelfs, is niet meer relevant.

Roy geeft in zijn essay een tijdlijn van deze evolutie. Ze loopt parallel met zijn eigen leven. Het proces van deculturatie ziet hij beginnen in de jaren 1960 en gaat vandaag naar zijn voltooiing. Enkele symptomen zijn de volgende. (1) Een toename van de individuele vrijheid. Paradoxaal genoeg wordt die vergezeld door een toenemende normering. (2) De gemeenschappelijke taal wordt meer en meer vervangen door een besloten codesysteem. De verhouding van taal en grammatica is daarbij gekeerd. Voortaan gaat grammatica vooraf aan de taal. Dergelijke vorm van communicatie is alleen toegankelijk voor de ingewijden van de groep. (3) Roy merkt ook op dat identiteit voortaan de maat neemt van cultuur. Die symptomen zijn dan weer zelf het gevolg van vier grote evoluties die zich de 6 laatste decennia hebben voorgedaan. Roy duidt ze aan als hedonisme, de revolutie van het internet, de neoliberale globalisering en deterritorialisering, de globalisering van de ruimte met daarbinnen een uiterst intens verkeer van mensen.

Voor Roy is het punt waar we vandaag zijn aanbeland duidelijk een crisis. Leidde vroeger elk civilisatiecrisis tot een nieuwe dominante cultuur, dan stellen we vandaag vast dat dit niet meer het geval is. Vandaag voelt iedereen zich vooral behoren tot een bedreigde minderheid waarvan de rechten moeten worden verdedigd of geborgen kunnen worden in een veilige plek. Veiligheid wordt daarbij vaak gedefinieerd als een safe space waar communicatie met andersdenkenden kan worden gemeden.

Roy illustreert dit proces of deelaspecten ervan met tal van veel voorbeelden, het ene al groter dan het ander. Een prikkelend en best grappig voorbeeld wordt gegeven in het begin van het essay. Een passagier op een Amerikaanse lijnvlucht eiste dat zijn pauw hem aan boord moest kunnen vergezellen. Hij was zijn emotionele metgezel en zonder zijn pauw was de passagier niet in staat om de lijnvlucht te doorstaan. Dit voorval noodzaakte de luchtvaartmaatschappij tot het opstellen van een strikte code, uitgaande van het principe dat dergelijke uitzonderlijke eisen of verzoeken van passagiers in de toekomst moesten kunnen worden uitgesloten. Achteraf gezien illustreert dit voorbeeld heel goed Roy’s analyse, nl. dat de habitus, de culturele evidentie op een vreemde manier verdwijnt.

Roy geeft tal van andere voorbeelden. Daarbij de rel rond ‘de jerk rijst’ van Jamie Olivier, de vele discussies over wie zich de echte eigenaar mag noemen van bepaald Unesco immaterieel erfgoed of issues met betrekking tot wie echt tot de minderheidsgroepen mag behoren. Mij interesseerden vooral de ideeën die Roy ontwikkelt met betrekking tot onze omgang met het verleden. Ook in die relatie ziet Roy een proces van deculturatie. Algemeen stelt hij vast dat we vandaag een ongewoon grote belangstelling hebben voor het verleden. Het verleden komt in de plaats van een toekomstproject of utopie. Maar er is meer. Onze huidige samenleving interesseert zich ook op een bijzondere manier aan dat verleden. Roy stelt daarbij enerzijds vast dat het verleden daarbij vooral gefolkloriseerd wordt. We hechten bijvoorbeeld ongewoon sterk aan iets als erfgoed. Maar tegelijk snappen we er noch de context, noch de betekenis van. Er gaan processies gaan uit, er worden oude beroepen gevierd, enz. maar tegelijk hebben die geen enkele culturele verankering meer. Het zijn horizontale praktijken die enkel naar zichzelf verwijzen. Anderzijds wijst Roy ook op een andere maatschappelijke omgang met geschiedenis. Die is in de eerste plaats dominant moreel geworden en daarmee losgemaakt van de echte historische praktijk. Geschiedenis is met andere woorden moraal geworden en feiten of gebeurtenissen worden op die manier volledig moreel beoordeeld, los van de historische context. « On jette un regard moral sur les révoltes passées, toutes égalisées et dépourvues de leur sens eschatologique. Il n’y a plus de sens de l’histoire, qui ne s’ouvre ni sur une fin, ni sur un futur : elle est vue à travers un rétroviseur, et un rétroviseur moral, gradué entre le bon et le mauvais, le juste et l’injuste (Roy, 193). » Deze presentistische omgang met geschiedenis heeft heel veel parallellen met wat we vandaag kennen als herinneringseducatie. Roy stelt dat deze moralistische  houding ten aanzien van het verleden heel snel leidt tot vragen als ‘wat zou ik hebben gedaan in die tijd? Of welk kamp zou ik hebben gekozen. Roy is hierover heel duidelijk. “Pour un historien, la question n’a pas de sens, elle relève de ce qui est le péché capital de la science historique : l’anachronisme. »

Roy’s essay is heel lezenswaardig en onlangs verscheen het ook in Engelse vertaling (The Crisis of Culture. Identity Politics and the Empire of Norms). Wat wel ontbreekt is een heldere epiloog waarin pistes worden gesuggereerd om uit deze impasse van vervlakking te geraken. Maar een analyse is alvast gemaakt.